Geen enkele moestuinier zit op ziekten en plagen te wachten. Om problemen zoveel mogelijk te voorkomen is het heel belangrijk om vruchtwisseling toe te passen. Ga er maar even goed voor zitten en maak een plan waar je jaren plezier van hebt.

Vaak wordt een vruchtwisseling van 1:3 geadviseerd, maar veel beter is het om een ruimere vruchtwisseling van 1:5 of zelfs 1:8 toe te passen. Dat is trouwens ook afhankelijk van de grondsoort. Op zandgrond verspreiden ziekten en plagen zich gemakkelijker dan op kleigrond.

Bemesten
Bij het maken van een goed schema moet je letten op de behoeften die de verschillende groenten hebben. Groenten die heel hard groeien hebben veel mest nodig, maar ze laten ook veel voedingsstoffen achter als ze eenmaal gerooid zijn. Daar kan een volgend gewas, dat wat minder voeding vraagt, profijt van hebben. In het derde jaar zet je er dan een gewas dat nog minder voedingsstoffen nodig heeft, zoals peulvruchten. Peulvruchten laten stikstof in de bodem achter en daar kan in het vierde jaar een veeleisende groente weer gebruik van maken. Daarna bemest je het stukje grond weer flink voor een veelvraat als rode kool. Als je op een doordachte manier te werk gaat, maak je optimaal gebruik van de bodem en de aanwezige voedingsstoffen. Je voorkomt dat meststoffen zich ophopen of ongebruikt uit de bodem spoelen.

De indeling
Hoe maak je een helder plan voor vruchtwisseling? Allereerst deel je je tuin in vier vakken en elk vak verdeel je weer in twee stukken. Zo heb je in totaal acht bedden en kun je de groenten optimaal laten rouleren.

Vak 1
Zet in beide bedden koolsoorten. In bed 1a plant je sluitkolen (zoals witte kool en rode kool), bloemkool en broccoli. In bedje 1 b zet je spruitjes, radijs, rammenas en koolrabi. Voordat je start met zaaien of planten werk je een ruime hoeveelheid compost of goed verteerde stalmest door de grond. Bed 1a, waar de veelvraten staan, kun je met geconcentreerde (kunst)meststoffen nog wat extra bemesten. In mei of juni doe je dat nogmaals om de planten lekker aan de groei te houden. Voor bed 1b is dat niet nodig.

Vak 2
In bed 2a zet je aardappelen en in bed 2b zaai je wortelgroenten zoals witlof, bietjes, uien en worteltjes. Deze groenten stellen weinig eisen aan de grond dus je hoeft niet te bemesten.

Vak 3
In vak 3a zet je vroege peulvruchten die je na de oogst kunt vervangen door prei. In vak 3b begin je met bladgroenten zoals sla, andijvie en spinazie, daarna kun je hier late bonen neerzetten. Veel mest is niet nodig; je kunt eventueel aan het begin van het seizoen een beetje mest geven om de plantjes op gang te helpen.

Vak 4
Dit vak wordt in beslag genomen door groenten die vrucht dragen. In vak 4a zet je tomaten en in vak 4b komen groenten als pompoen, courgette, komkommer of augurk. Werk flink wat compost of goed verteerde stalmest door de bodem voordat je gaat planten. Je mag ook nog wat geconcentreerde (kunst)mest toevoegen.

Het wisselen
De vruchtwisseling verloopt verder erg eenvoudig: het tweede jaar schuiven alle groenten één vak op. Dus de groentensoorten van vak 1 gaan naar vak 2 etc. Na vier jaar ben je helemaal rond en start je weer met de kolen in vak 1, met dat verschil dat je nu de bedden wisselt. Dus de veelvraten zet je nu in bed 1b in plaats van bed 1a. Op deze manier komt elke groente maar in keer in de acht jaar in een bepaald bed terecht!